Logo
Artikel 5 van 11
Drone

Voor het eerst: Iran valt Azerbeidzjan aan

Het Azerbeidzjaanse ministerie van Buitenlandse Zaken bevestigde donderdag 5 maart dat twee drones, gelanceerd vanuit Iraans grondgebied, de internationale luchthaven in de exclave Nachitsjevan hadden getroffen. Dit was de eerste directe Iraanse aanval op Azerbeidzjan sinds de start van Operatie Roaring Lion op zaterdag 28 februari. Twee mensen raakten gewond en de luchthaveninfrastructuur liep schade op. De aanval was gericht op een civiel-militair vliegveld op ongeveer 10 kilometer van de Iraanse grens.

Als reactie daarop riep Bakoe Iran op het matje. De ambassadeur werd verzocht en kreeg een ​​formele berisping, waarbij werd benadrukt dat Azerbeidzjan het recht behoudt om op de aanval te reageren. Analisten zeggen dat de aanval waarschijnlijk opzettelijk was, aangezien Azerbeidzjan wordt beschouwd als een van Israëls bondgenoten. De twee landen zijn nauwste veiligheidspartners in de regio. De uitgebreide veiligheidssamenwerking tussen beide landen is al jarenlang goed gedocumenteerd, waarbij Azerbeidzjan sterk afhankelijk is van in Israël geproduceerd militair materieel.

De aanval op Azerbeidzjan maakt deel uit van een breder patroon van Iraanse aanvallen op meerdere landen sinds het begin van het conflict. Iran heeft Israël, Turkije, de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar, Saoedi-Arabië, Cyprus, Bahrein, Oman en nu Azerbeidzjan beschoten, wat de vrees doet ontstaan ​​dat Teheran de oorlog opzettelijk uitbreidt om de door de VS geleide coalitie kosten op te leggen. De droneaanvallen op Nachitsjevan hebben de relaties tussen Bakoe en Teheran, die toch al gespannen waren vanwege beschuldigingen van Israëlische inlichtingenactiviteiten langs hun gedeelde grens, verder onder druk gezet.(INN/VFI Nieuws)

‘Hij zal rechtspreken tussen de volken en vele mensen terechtwijzen; zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeihaken; geen volk zal het zwaard tegen een ander volk opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.’ – Jesaja 2:4