
Israël’s Sa’ar reist af naar Colombia en Ecuador, om de banden met Latijns-Amerika aan te halen
Minister van Buitenlandse Zaken Gideon Sa’ar is op een diplomatieke reis naar Colombia en Ecuador, zo maakte het ministerie van Buitenlandse Zaken woensdag 5 augustus bekend. Israël probeert hiermee de banden aan te halen met Latijns-Amerikaanse landen die worden geleid door rechtse leiders. Hij vloog eerst naar Miami, waar hij lokale Joodse leiders in de VS ontmoette en kennisnam van een recente uitspraak van een rechter in Palm Beach County, die een rechtszaak tegen de county had verworpen over een investering van 1 miljard dollar in Israëlische obligaties.
Hij arriveerde vervolgens op woensdag 5 augustus in Ecuador, waarmee hij het eerste bezoek van een Israëlische minister van Buitenlandse Zaken aan het land in 44 jaar markeerde. In Quito, was het de bedoeling dat hij een gezamenlijke verklaringen afgeeft ter ere van Manuel Antonio MuNoz Borrero, de Ecuadoraanse diplomaat die erkend werd als Rechtvaardige onder de Volkeren omdat hij in 1941 Ecuadoraanse paspoorten aan Europese Joden verstrekte. Er stond ook een ontmoeting gepland met president Daniel Noboa, een bezoek aan het parlement en een ontmoeting met leden van het Ecuadoraanse parlement en leden van de Joodse gemeenschap.
Sa’ar vliegt vervolgens naar Colombia om de inauguratie van de nieuwe president van Colombia, Abelardo de la Espriella bij te wonen op vrijdag 7 augustus en daar ook leiders uit heel Midden- en Zuid-Amerika te ontmoeten. De la Espriella heeft beloofd de strategische alliantie met de staat Israël te vernieuwen en een ambassade in Jeruzalem te openen. Hij heeft tevens aangekondigd dat Colombia zijn tussenkomst in de genocidezaak tegen Israël in Den Haag zal intrekken.‘We zetten onze inspanningen voort om Latijns-Amerika dichter bij Israël te brengen.’ Sa'ar zei. ‘Israël en zijn burgers zullen hiervan profiteren op alle vlakken: diplomatiek, economisch en via het toerisme.’ (TOI/VFI Nieuws)
‘Loof de Heer, alle volken; verheerlijk Hem, alle mensen.’ – Psalm 117:1